Oorzaak

PHTS wordt veroorzaakt door een aangeboren defect in het DNA van het PTEN gen. Het is dus al van bij de geboorte aanwezig. Het word overgeërfd van 1 van de ouders of kan spontaan ontstaan voor de bevruchting eicel-zaadcel. Deze fout bevindt zich in het PTEN-gen (Phosphatase And Tensin Homolog), dat zich op het 10e chromosomenpaar bevind. Dit gen produceert het PTEN eiwit. We hebben dus twee kopieën van het gen, één van moederlijke oorsprong gelegen op het chromosoom 10 dat van de moeder  overgeërfd werd en  één van vaderlijke oorsprong gelegen op het chromosoom 10 van vaderlijke oorsprong. Het PTEN eiwit functioneert als een tumor suppressor. Dit wil zeggen dat het controle uitvoert op onze celdelingen (of het aanmaken van nieuwe cellen).

Wanneer er een ernstig defect is in het  PTEN gen  wordt het eiwit niet of onvoldoende aangemaakt. Waardoor er een verstoring in de afremming van celdelingen gebeurt. Zo gaan sommige cellen ongeremd kunnen blijven groeien met goed of kwaadaardige cel woekeringen tot gevolg.

Het PTEN-eiwit maakt immers deel uit van een signaalroute die cellen waarschuwt om op het juiste moment te stoppen met delen en stimuleert cellen om zichzelf te vernietigen wanneer nodig. Er zijn aanwijzingen dat dit eiwit ook de cel migratie, het bewegen van cellen van de ene plaats naar de andere, en de vorming van nieuwe bloedvaten helpt controleren. Bovendien speelt het waarschijnlijk ook een rol bij het handhaven van de stabiliteit van de genetische informatie van een cel.

Al deze functies helpen om een  ongecontroleerde celgroei te voorkomen die kan leiden tot de vorming van goedaardige tumoren en/of kankers.

Het PTEN-gen heeft waarschijnlijk ook nog andere belangrijke functies in onze cellen. Zo is het tot op heden nog steeds onduidelijk hoe mutaties in dit gen de andere kenmerken van PHTS kunnen veroorzaken, zoals o.a. macrocefalie en autisme. Er worden momenteel wel studies uitgevoerd om te ontdekken welke rol het PTEN-gen en zijn eiwit hierin spelen.

PHTS kan spontaan ontstaan als nieuw gendefect bij de persoon zelf of kan overgeërfd worden van 1 van de ouders. Het is erfelijk op een autosomaal dominante manier.

De kern van een lichaamscel bevat dus 23 paar chromosomen; in het totaal dus 46 chromosomen. Van elk chromosomenpaar is er één chromosoom afkomstig van je moeder en één van je vader. Elke ouder geeft dus 23 chromosomen door aan een kind. In een rijpe zaadcel en een rijpe eicel zitten dus maar 23 chromosomen die bij de bevruchting de 23 paar chromosomen gaan vormen.

Bij een autosomaal dominante overerving is het voldoende dat een genetisch defect voorkomt op één van de twee kopieën van een gen om de aandoening tot uiting te laten komen. Een ouder met een defect PTEN gen heeft 50% kans om het defecte gen door te geven aan een kind. Dit kind zal dan PHTS vertonen. Er is ook 50% kans dat het normale gen doorgegeven wordt aan een kind en dit kind zal dan de aandoening niet vertonen . De term autosomaal houdt in dat het niet uitmaakt of je een jongen of een meisje bent. De aandoening is niet geslachtsgebonden. Ieder kind, jongen of meisje heeft 50% kans om de aanleg te erven en zowel een vader als moeder kunnen de aandoening doorgeven

Een kind dat van zijn ouder niet het familiaal voorkomende defecte PTEN gen geërfd heeft kan dit familiale defecte PTEN gen niet doorgeven aan zijn nakomelingen. . Een kind dat wel het defecte PTEN geërfd heeft kan op zijn of haar beurt dit defecte gen weer met een kans van 50% doorgeven aan zijn of haar kinderen.

Als een genetisch defect in het PTEN  bij een persoon nieuw ontstaan is, dan betekent dit dat de ouders van deze persoon dit genetisch defect zelf niet vertonen. De kans dat volgende kinderen van deze ouders ook weer dit genetisch defect in het PTEN gen zullen vertonen is bijgevolg erg klein . De eventuele kinderen van het kind met het nieuw ontstane genetisch defect in het PTEN gen hebben dan weer 50% kans om dit defect te erven.

Bij een nieuwe mutatie in het PTEN gen vertoont de persoon PHTS, terwijl beide ouders het syndroom zelf niet hebben. Meestal is de nieuwe mutatie ontstaan tijdens de aanmaak van de eicel of de zaadcel.

Zoals hoger vermeld werd hebben broers en zussen slechts een lichtjes verhoogde kans op PHTS. In een zeldzame situatie is het mogelijk dat tijdens de aanmaak van de zaadcellen of de eicellen de fout in meerdere zaad- of eicellen terecht gekomen is zodat er eventueel meerdere kinderen kunnen geboren worden met PHTS in hetzelfde gezin zonder dat één van de ouders zelf PHTS vertoont. De mutatie die bij de kinderen gevonden wordt is dan niet aanwezig in het bloed bij één van de ouders Dit is echter een uitzonderlijke situatie.  

In ongeveer 50% van de gevallen vindt men bij geen van de ouders van een kind met PHTS de PTEN mutatie terug en spreekt men van een nieuwe mutatie.